Verkiezingsprogramma

Verkiezingsprogramma 21Su

2020 – 2025

6 Maart, 2020

Politieke Partij 21Su, www.21su.org

Paramaribo – Suriname

Inhoudsopgave

2 Inleiding 2

2.1 Missie 21Su 2

2.2 Visie 21Su 2

3 Principe: De Democratische Rechtsstaat 3

3.1 De Rechtsstaat 3

3.2 Verbeterprogramma handhaving van de Rechtsstaat 4

3.2.1 Grondwet & Kiesregeling 4

3.2.2 Grondwet en de Rekenkamer: Controle van de staatsorganen 5

3.2.3 Grondwet en De Nationale Assemblée 6

4 Nieuw: Bureau Wetgeving & Begroting 10

4.1 Beleidsvrijheid en begrenzingen daarvan 10

4.2 Formalisering van de wetgevingstoets 11

4.3 De wetgevingstoets 12

4.4 Beleidsplan: Inzake Grondenrechtenvraagstuk en Huisvestingsbeleid 15

Inleiding

Missie 21Su

De missie van de 21Su is om als politieke partij middels een vernieuwd Besturingssysteem bij te dragen aan de verwezenlijking van een harmonieuze, solidaire en duurzame samenleving in Suriname. Een samenleving waarin burgers gelijkwaardig zijn en door een eerlijke verdeling van arbeid, kennis, macht en inkomen zich zelfstandig kunnen ontwikkelen en in vrijheid kunnen ontplooien in verbondenheid met dienstbaarheid aan de samenleving.

Visie 21Su

21Su geeft invulling aan haar Missie door:

  • politieke invloed te verkrijgen en deze in overeenstemming met de wetgevende en controlerende functie van De Nationale Assemblée uit te oefenen in de DNA om haar doelen afgestemd op het publieke belang te realiseren;
  • het actief intern en extern (publiekelijk) communiceren (transparant) over haar doelen en over de bereikte resultaten van haar politieke inspanningen;
  • met het uitgangspunt het beginselen- en het verkiezingsprogramma als leidend vast te stellen.

Principe: De Democratische Rechtsstaat

De Rechtsstaat

Leidend principe is dat de rechtsstaat dienstbaar moet zijn aan de Wil van het Volk van Suriname. De Surinaamse rechtsstaat is grondwettelijk voorzien, echter de uitvoering daarvan blijkt inefficiënt en niet effectief te zijn, met andere woorden het openbaar bestuur is disfunctioneel omdat gebleken is dat de waarborgen voor de instandhouding van de rechtsstaat, ten gevolge van een gebrekkig ontwikkeld rechtsgeweten van de gekozen politici, niet in acht worden genomen.

De noodzaak voor een consciëntieuze beleving van de rechtsstaat en dus voor een erkenning, vervulling en bescherming van de rechten en plichten van zowel de burgers alsook van de overheid impliceert tot het verhogen van de eigen verantwoordelijkheid van de burgers om zelf hun leven te kunnen inrichten, zonder daarbij anderen te schaden dan wel zich schuldig te maken aan frauduleuze handelingen. Onvermijdelijk is de erkenning van staatsmacht, maar die wordt beperkt door waarborgen tegen machtsmisbruik met o.a. een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel.

In Suriname is gebleken dat regeermacht niet is gericht op het dienen van het publiek belang en dat de wetgevende macht in handen van de thans heersende coalitie feitelijk een parlementaire dictatuur tot uitvoering brengt ter behartiging van de persoonlijke belangen van de regeringsleider.

21Su zal inzetten op de handhaving van de gescheiden machten, de beleving van de fundamentele grondrechten van de burgers van Suriname en het principe van het legaliteitsbeginsel met daarbij een expliciet verbod op rechtswerking van wetten met terugwerkende kracht wat betreft strafbaar gestelde handelingen (het als onacceptabel achten dat na het gepleegd hebben van strafbare handelingen een wet te maken tot introductie van straffeloosheid).

Voor zowel de burgers alsook voor de overheid heeft te gelden dat de democratische rechtsstaat aan geen van beide absolute rechten geeft. Tegelijkertijd zal de burger tegen onredelijk en onbillijke staatsmacht te allen tijde toegang tot de rechter moeten hebben ter realisatie van een effectieve rechtsbescherming.

Een uitzondering op het voorgaande betreft het erkennen dat de burgers te allen tijde het zelfstandig recht hebben zich te ontdoen van een tiran, een despoot een zich – met of zonder parlementaire ondersteuning – dictatoriaal gedragende regeringsleider. Dit recht is absoluut…!

21Su erkent dat een regering beleidsvrijheid moet hebben ter realisatie van de doelstellingen vastgelegd in een Regeerakkoord. Echter, de daarbij te onderscheiden uitoefening van de gebonden en discretionaire beleidsvrijheid moet te allen tijde een redelijke belangenafweging doorstaan ter vermijding van een onevenredige c.q. ongerechtvaardigde aantasting van de fundamentele grondrechten van de burgers van Suriname zoals is bepaald in de diverse regelingen van de Grondwet en mensenrechtenverdragen.

Verbeterprogramma handhaving van de Rechtsstaat

Zonder een zeer uitgebreide invulling te geven van de vereiste veranderingen zal vanwege de vastgestelde disfunctionele werking van het rechtsbestel de volgende maatregelen worden doorgevoerd (zie ook in andere hoofdstukken behandelde beleidsplanen).

Grondwet & Kiesregeling

Herhaaldelijk en wellicht als publiek geheim is kenbaar dat onze democratische rechtsstaat imperfect tot werking komt vanwege het etnisch stemgedrag dat een versterking krijgt door de werking van het districten kiesstelsel.

21Su zal een wijziging van de Grondwet voorstellen waarbij een evenredige vertegenwoordiging als kiessysteem de doelstelling is. Vanwege de noodzaak van een efficiënt en effectief werkende Assemblée wordt voorgesteld een kiesdrempel van 3% of 5% te hanteren. Immers, een eenmansfractie en/of een te kleine fractie zal wellicht niet in staat blijken te zijn actief op alle beleidszaken haar partijpolitieke belang te bepleiten. Wat betreft de zetels die overblijven, zal een berekeningsmethode op basis van het aantal reststemmen na een gedegen parlementair debat worden vastgesteld.

Grondwet en de Rekenkamer: Controle van de staatsorganen

In Suriname heeft de Rekenkamer nog nooit het door de Grondwet vereiste Rekenkamerverslag geproduceerd. Er is altijd sprake geweest van substantieel onvolledige verantwoording van de controle op de inkomsten en uitgaven van de Staat.

Fundamenteel gebrek: een niet-consciëntieus rechtsgeweten van de Voorzitter van de Rekenkamer alsook de machtsuitoefening van de regeringsleider (aantasting van de integriteit van de Voorzitter dankzij verhulde partijloyalisme) en de zwakke uitoefening van de controlebevoegdheden door De Nationale Assemblée.

Principe: het nadrukkelijk uitspreken dat de Voorzitter gehouden is tot het produceren van het volgens de Grondwet voorziene en aldus vereiste Rekenkamerverslag: een verandering en uitbreiding van de Wet op de Rekenkamer. De Rekenkamer heeft het recht zich publiekelijk uit te laten zonder inmenging vooraf vanuit de Regering dan wel De Nationale Assemblee. De Rekenkamer zal de plicht hebben tot het doen van aangifte tot vervolging en berechting van politieke ambtsdragers, ambtenaren en overige in dienst van de overheid werkzame personen.

Het functioneren van de Rekenkamer moet doen blijken dat het Maatschappelijk Belang leidend is en niet het ‘oneigenlijk’ belang van een regering…!

Grondwet en De Nationale Assemblée

Ook hier geldt dat is gebleken dat het rechtsgeweten van assembleeleden gebrekkig is ontwikkeld.

Terugroeping DNA-lid.

21Su zal wat haar betreft met DNA-kandidaten een kandidaatstellingcontract maken waarbij ter erkenning, vervulling en waarborging van het Publiek Belang de kandidaat DNA-leden zich zullen verplichten tot naleving van het beginselen- en verkiezingsprogramma, het regeerakkoord en overige partij politieke standpunten zoals door het partij bestuur van 21Su in te onderscheiden beleidsplannen zal zijn vastgesteld.

21Su heeft vanwege de noodzaak te vermijden dat de DNA-processen worden verlamd en de partij politieke belangen worden geschaad omdat een partijlid zich zal willen onttrekken aan de partij (‘overlopen’ van DNA-leden tegen te gaan en dus tegengaan van corruptie) een nieuwe ‘Wet Terugroeping DNA-lidmaatschap’ introduceren (zie in de website onder ‘Beleidsplannen’).

Het voorgaande is voor 21Su een principieel uitgangspunt en vanwege dit feit is het onacceptabel te moeten accepteren dat de huidige ‘Wet beëindiging DNA-lidmaatschap’ het recht tot terugroeping bij De Nationale Assemblée heeft gelegd én in betreffende wet één voor 21Su onacceptabele voorwaarde voor terugroeping van een DNA-lid is opgenomen, namelijk de huidige wet staat toe dat een DNA-lid twee strafvonnissen op zijn naam mag hebben en toch nog DNA-lid mag zijn. Eén voor 21Su onacceptabele regel…!

21Su stelt dat het recht tot terugroeping van een DNA-lid bij de politieke partij behoort die een ‘overlopende’ partijlid heeft gekandideerd. De grondslag daarvan zal nader worden geregeld in het Bestuursbesluit betreffende de kandidaatstelling en aanpassing van de volgende wettelijke regelingen: Decreet Politieke Organisatie, De (nieuwe) Kiesregeling, Het Reglement van Orde van De Nationale Assemblée en in de nieuw vast te stellen Wet op het Constitutioneel Hof.

Wanneer een DNA-lid feitelijk handelingen pleegt die een contractbreuk in juridische zin betekent, dan ontstaat volgens het geldend recht een beroep op ontbindingsgronden van het kandidaatstellingscontract (zie nader in Beleidsplan ‘Wet terugroeping DNA-lidmaatschap’).

In overeenstemming met het geldend recht zal voor een gegronde terugroeping van een DNA-lid de navolgende ontbindingsgronden i.c. rechtsgrondslagen kunnen worden ingeroepen.

De ontbinding van het kandidaatstellingscontract kan o.a. op basis van de volgende rechtsgrondslagen:

  1. Het kandidaatstellingscontract is nietig omdat er sprake is van een wilsgebrek. De contractueel geopenbaarde wilsuiting van de DNA-lid is niet in overeenstemming met de innerlijke wil van de DNA-lid;
  2. De DNA-lid handelt op zodanige wijze waaruit blijkt dat gegeven de contractuele verbintenissen aan hem/haar kan worden tegengeworpen dat hij/zij toerekenbaar tekortschiet in de naleving van de contractuele verplichtingen. In voorkomend geval is er sprake van wanprestatie;
  3. Een DNA-lid heeft principieel en contractueel ingestemd met het erkennen, vervullen en beschermen van de rechtsbelangen van de burgers van Suriname. Hieruit vloeit voort een zorgplicht dat hij/zij in acht moet nemen. Een moedwillige uittreding uit de fractie van een politieke partij i.c. van 21Su, zal gegeven de feiten en omstandigheden een rechtvaardiging vinden dat gesteld kan worden dat het DNA-lid in strijd handelt met hetgeen volgens ongeschreven recht als betamelijk in het maatschappelijk verkeer tussen betrokken partijen geldt. Het voorafgaande impliceert dat een DNA-lid een onrechtmatige daad kan worden verweten. De ontstane onrechtmatige daad levert aldus de grondslag voor ontbinding van het kandidaatstellingscontract en dus een grondslag voor een terugroepingsbesluit vanwege de politieke organisatie.

Aldus blijkt dat in de rechtsdoctrine voldoende grondslagen kenbaar zijn om een rechtsgeldige ontbinding van het Kandidaatstellingscontract te realiseren door een beroep te doen op nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het contract. Echter, volledigheidshalve zal daarom een grondwettelijke bepaling met voormelde oogmerk moeten worden vastgesteld en navenante nadere regeling daarvan vast te leggen in een ‘Wet terugroeping DNA-lidmaatschap’.

Verbod dubbele functies van DNA-leden

21Su stelt dat het verboden zal zijn dat DNA-leden naast hun wetgevende en controlerende functie als DNA-lid nog een andere betaalde functie kunnen vervullen. Als uitgangspunt geldt dat alle wetgeving zoals is voorzien door 21Su in onze Masterplan voor Suriname moet worden gerealiseerd. Dat betekent dat een DNA-lid minimaal een 40-urige werkweek zal moeten uitvoeren.

Intrekking Wet in staat van beschuldigingstelling politieke ambtsdragers

Momenteel geldt dat indien een politieke ambtsdrager (president, vicepresident, minister en directeur van een ministerie) en/of gewezen politieke ambtsdrager strafrechtelijk zou moeten worden vervolgd en worden berecht, het Openbaar Ministerie dat niet zelfstandig kan besluiten. Het Openbaar Ministerie moet daartoe eerst een beslissing van De Nationale Assemblée verkrijgen. Deze wettelijke regeling ondermijnt de positie en gezag van het Openbaar Ministerie en dus ondermijnt het de werking van het gescheiden machten systeem.

21Su staat op de handhaving van het gescheiden machten systeem en zal daarom een wetsvoorstel indienen ter intrekking van de ‘Wet in staat van beschuldigingstelling politieke ambtsdragers’. Het Openbaar Ministerie die deel uitmaakt van de Rechtelijke Macht moet het zelfstandig recht hebben tot vervolging en berechting van politieke ambtsdragers.

Nieuw: Bureau Wetgeving & Begroting

Uit de feiten en omstandigheden die het overheidshandelen concretiseren is gebleken dat de wetgever onvoldoende kennis, kunde en integriteit tot uitvoering laat komen bij het uitvaardigen van wetten en besluiten. Het overheidshandelen c.q. de maatregelen leiden tot een onevenredig zware aantasting van de beschermde belangen van de burgers van Suriname. Een belangrijke oorzaak is aldus een gebrek aan bekwaamheden terwijl niet kan worden uitgesloten dat partijpolitieke belangen en/of persoonlijke belangen van politici voorrang krijgen boven het Publiek Belang.

Beleidsvrijheid en begrenzingen daarvan

De wetgever (de Regering en/of De Nationale Assemblée) moeten om de beleidsvoornemens tot uitvoering te brengen voldoende bevoegdheden hebben om de gestelde doelen te realiseren. De invulling van de beleidsvrijheid maatregelen te treffen (wetten en/of besluiten uit te vaardigen) wordt thans beheerst door het leerstuk van de ‘wide margin of appreciation’. Dit leerstuk gaat ervan uit dat de overheid een ruime mate van beleidsvrijheid moet hebben waarbij er onderscheid kan worden gemaakt in de volgende vormen van bevoegdheden:

  1. Er is sprake van een gebonden bevoegdheid. Een voorbeeld van een dergelijke bevoegdheid betreft de regel dat de minister van financiën een vooraf bepaald leningenplafond niet mag overschrijden;
  2. Er is sprake van een discretionaire bevoegdheid. De overheid wenst een maatregel uit te vaardigen zonder de aanwezigheid van een expliciet beperkende richtlijn.

Uitgangspunt is dat hoewel de wetgever een ruime beleidsvrijheid tot het bepalen en uitvoeren van beleid heeft, het tegelijkertijd gebonden is aan de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van fundamentele grondrechten met als overweging dat deze rechten geen ‘onmogelijke of disproportionele last’ (‘impossible or disproportionate burden’) op de wetgever legt. De uit het voorafgaande blijkende algemene begrenzing van de positieve verplichting krijgt een concrete invulling door slechts te erkennen dat de overheid alleen concrete handelingen mag uitvoeren die redelijk zijn en waartoe zij bevoegd is, indien er sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar (dreigend) gevaar en de wetgever dit gevaar kende of behoorde te kennen. De aard van de (dreigende) aantasting speelt hierbij een rol. Effectieve bescherming vereist dan dat aantasting zoveel mogelijk moet worden voorkomen door vroegtijdige interventie van de wetgever. Aldus blijkt uit het voorgaande dat het leerstuk van de ‘wide margin of appreciation’ een begrenzing vindt in het leerstuk van het ‘minimum level of severity’, namelijk weliswaar moet de burger een bepaalde vorm van aantasting van haar belangen incasseren maar dat dit niet onevenredig mag plaatsvinden…!

Een voorbeeld om het voorgaande enigszins te concretiseren: een overheid mag staatschulden aangaan, echter de omvang van de staatsschulden en bijbehorende schuldenlast mag er niet toe leiden dat er een te zware aantasting plaatsvindt van de koopkracht van het inkomen en spaargeld van de burgers. Het redelijkheidsbeginsel, het billijkheidsbeginsel en het voorzorgbeginsel zijn leidend bij het uitvaardigen van wetten en besluiten met als randvoorwaarden het rechtszekerheidsbeginsel (erop mogen vertrouwen dat de koopkracht van het inkomen en vermogen niet te zwaar zal worden aangetast) en het motiveringsbeginsel.

Formalisering van de wetgevingstoets

De aanname van o.a. de wijzigingen van de Amnestiewet (2012), de onrealistische en valse begrotingen en de vele wijzingen van de Wet op de Staatsschuld (2011, 2016, 2017 en in 2019) indiceert dat in hoofdzaak het persoonlijk belang van de regeringsleider als doelstelling gold.

De gewijzigde wetten blijken overduidelijk tot een aantasting van de beschermde belangen van de burgers en dus tot een aantasting van de fundamentele grondrechten van de burgers te leiden. Dat nu is onacceptabel…!

Om het proces van wetgeving te verbeteren zal naast het zelfstandig recht van de wetgever wetten en besluiten uit te vaardigen, een onafhankelijk instituut die de functie van het zijn van een adviesorgaan voor de wetgever worden gevestigd. Daartoe zal een wet worden gemaakt om alle zaken dienaangaande te regelen: een eigen begroting, de rechten (bevoegdheden) en plichten en in het bijzonder de plicht zich in het openbaar uit te laten. In de betreffende wetgeving zal de bevoegdheid worden vastgelegd tot het publiekelijk openbaar maken van de adviezen. Onlosmakelijk zullen daartoe ook in een nieuwe ‘Algemene Wet Bestuursrecht’ de relevante bepalingen worden vastgelegd.

De openbaarheid bevordert dat de burger een geïnformeerd standpunt kan bepalen en te boordelen of de wetgevingsprocessen rekening houden met de beschermde belangen van de burgers van Suriname.

De wetgever zal ten tijde van een openbaar te houden vergaderingen het advies moeten bespreken, te beoordelen en moeten aangeven wat haar gronden zijn om van het advies af te wijken.

De wetgevingstoets

In de rechtsdoctrine is vele decennialang het leerstuk van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (kortweg: abbb) een vaststaand feit. De abbb’s bevatten de gedragsregels die in acht moeten worden genomen in de relatie tussen de burger en de overheid. In Suriname is het wenselijk deze beginselen te codificeren in een nieuwe wet ‘Algemene wet bestuursrecht’.

21Su zal daartoe een wetsvoorstel indienen.

Wat betreft de rechtswerking wordt er onderscheid gemaakt in formele beginselen en materiële beginselen. Strijdigheid met bijzondere formele rechtsbeginselen leidt tot onrechtmatigheid van een wet of besluit; de wet of het besluit is nooit van toepassing. Daarnaast geldt dat strijdigheid met materiële beginselen zal leiden tot onrechtmatigheid van een wet of een besluit in een specifiek geval; de wet of het besluit blijft rechtswerking behouden voor andere gevallen.

Formele beginselen

Iedere bevoegdheid van de overheid (inclusief die van de gedecentraliseerde overheden zoals van de districtsraden en toezichthoudende autoriteiten) om besluiten te mogen nemen moet terug te voeren zijn op bevoegdheid die door de formele wetgever is toebedeeld.

Voorbeelden zijn: legaliteitsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, en het formele rechtszekerheidsbeginsel

  1. Legaliteitsbeginsel. Er is geen bevoegdheid zonder grondslag in wet, Grondwet of het recht;
  2. Zorgvuldigheidsbeginsel. De overheid moet een besluit zorgvuldig voorbereiden en nemen: correcte behandeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming;
  3. Motiveringsbeginsel. De overheid moet haar besluiten goed motiveren: de feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn;
  4. Rechtszekerheidsbeginsel. De overheid moet haar besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen;
  5. Fair-play-beginsel. Het Fair-play-beginsel zorgt voor een eerlijke behandeling van een besluit. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid of partijdigheid;
  6. Verbod op détournement de procédure. Er mag geen lichtere procedure worden gevolgd om tot een besluit te komen, wanneer daarvoor een met meer waarborgen omklede procedure openstaat.

Materiële beginselen

De materiële beginselen hebben betrekking op de inhoud van bestuursbesluiten. Voorbeelden zijn: specialiteitsbeginsel, materiële rechtszekerheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir.

  1. Specialiteitsbeginsel. Een bestuursorgaan mag alleen die belangen behartigen waarvoor de betrokken wet of regeling een grondslag biedt;
  2. Evenredigheidsbeginsel. De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit;
  3. Materieel rechtszekerheidsbeginsel. Een burger die gedurende een ruime periode een bepaalde rechtspositie heeft opgebouwd, mag er in principe op vertrouwen dat deze rechtspositie kan worden voortgezet, dan wel dat hij bij gewijzigd beleid gecompenseerd wordt;
  4. Gelijkheidsbeginsel. De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen.
  5. Verbod van détournement de pouvoir. Een bestuursorgaan mag de hem geattribueerde of gedelegeerde bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven;
  6. Vertrouwensbeginsel. Ook wel beginsel van de opgewekte verwachting. Wie op goede gronden – bijvoorbeeld na een duidelijke toezegging – erop mag vertrouwen dat de overheid een besluit neemt, heeft daar ook recht op.

De overheid mag geen zaken regelen die niet binnen haar bevoegdheid liggen of die willekeur oproepen.

De concrete invulling van de abbb’s vindt op het niveau van het maken van een wet aansluiting bij een aantal bijzondere normen; de wetgevingstoetsen, thans kenbaar als de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving. Alle beginselen zijn leidend om het oordeel te verkrijgen of een wet wel of niet als redelijk moet worden erkend.

Het redelijkheidsoordeel is van belang naast het feit dat de wetgever gehouden is als randvoorwaarde in acht te nemen te voorkomen dat er inbreuk op de fundamentele grondrechten van de burgers van Suriname wordt gemaakt.

De in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijke wetgeving zijn:

  1. Toetsing aan de legaliteitseis: inbreuk moet voorzien zijn bij wet;
  2. Toetsing aan de proportionaliteitseis: inbreuk moet noodzakelijk zijn in een
  3. Democratische samenleving;
  4. Toetsing aan de finaliteiteis: de inmenging moet een legitiem doel nastreven.

Zoals in het bovenstaande is vermeld blijkt dat in Suriname wetten worden gemaakt die niet het Publiek Belang dienen. Om het proces van wetgeving te verbeteren is het noodzakelijk dat er een onafhankelijk adviesorgaan zelfstandig een objectief oordeel zal moeten verstrekken ten aanzien van voorgenomen wetgeving. Vertrouwen schenken in De Nationale Assemblée dat het goed bestuur tot uitvoering zal brengen is onterecht gebleken.

Een spreiding van het verkrijgen van onafhankelijke oordelen is dan de oplossing en daarom de instelling van een Bureau Wetgeving & Begroting.

Beleidsplan: Inzake Grondenrechtenvraagstuk en Huisvestingsbeleid

  1. Algemeen principe bezit van grond en grondstoffen in de bodem
  2. Grondenrechten van inheemsen (Wet Beschermde Gebieden 2017/Petroleumwet 1990)
  3. Grondenrechten van Marrons (Wet Beschermde Gebieden 2017/Petroleumwet 1990)
  4. Gronduitgiftebeleid
    1. Algemeen
    2. Intrekking grondbeschikkingen verleend aan politici
    3. Intrekking grondbeschikkingen verleend aan burgers
    4. Onteigeningswetgeving
    5. Herziening Erfpachtrecht & Afkoopregeling (Zie Besluit van 6 maart 2019)
    6. Herziening Recht van Grondhuur & Afkoopregeling (Zie Besluit van 6 maart 2019)
    7. Wetgeving inzake intrekking Allodiale Eigendom en Erfelijk Bezit inzake plantages
  5. Huisvestingsbeleid
    1. Verkavelingsprojecten
    2. Financieringsmodel (LISP I en II beschouwen en verbeteren)
    3. Belastingteruggave/ Inkomensaftrek voor huurders
    4. Woonzorg voor ouderen
    5. Koopregeling sociale woningbouw